Met een verstandelijke handicap naar een gewone basisschool?
Nanda
Poulisse (Mediator, juni 2002)
In Nederland gaan circa 10 000 kinderen
naar de ZML-school. Ongeveer 670 kinderen met een verstandelijke beperking gaan
naar een gewone basisschool. Dit blijkt goed te gaan, mits aan een aantal
voorwaarden is voldaan. Problemen ontstaan bijvoorbeeld als kinderen (te) veel
aandacht nodig hebben, of als leerkrachten moeilijk kunnen omgaan met niveauverschillen.
Dat blijkt uit een onderzoek door het Nijmeegse Instituut voor Toegepaste
Sociale Wetenschappen (ITS). 'Innovatie in de zorg voor mensen met een
verstandelijke beperking'. Dit programma streeft naar integratie van mensen met
een verstandelijke beperking in de samenleving.
Steeds meer ouders van kinderen met een verstandelijke
handicap kiezen voor gewoon onderwijs. De belangrijkste reden daarvoor is dat
ze hun kind niet in een uitzonderingspositie willen plaatsen. Ze willen graag
dat hun kind opgroeit met de andere kinderen in de buurt. Dat is goed voor de
sociaal‑emotionele ontwikkeling van het kind. Bovendien is het
bevorderlijk voor de cognitieve ontwikkeling, want het gehandicapte kind trekt
zich op aan de andere kinderen in de klas. Voor veel scholen is het een
aantrekkelijk idee dat andere kinderen in de klas leren omgaan met mensen met
een verstandelijke handicap.
Uitval Met veel verstandelijk gehandicapte kinderen gaat
het goed op de gewone school, maar niet met iedereen. Uit cijfers van het
Ministerie van OC&W blijkt dat in 2000 361 kinderen vanuit het reguliere
basisonderwijs instroomden op een ZML(K)‑ school. Met
name de overstap van de kleutergroep naar het leren lezen en meer zelfstandig
werken in groep 3 blijkt voor veel kinderen een onneembare hobbel. Ook de stap
van groep 4 naar 5 is moeilijk vanwege het abstractieniveau dat de zaakvakken
vereisen. En uiteindelijk ontstaan soms ook in de hoogste groepen problemen
omdat het kind steeds meer buiten de groep komt te staan, of gaat puberen op een moment dat de rest van de klas daar nog niet
aan toe is.
De voorwaarden In april 2001 begon het ITS een
onderzoek naar de positie van verstandelijk gehandicapte kinderen in het reguliere
basisonderwijs. Het onderzoek was erop gericht te achterhalen aan welke
voorwaarden moet worden voldaan om een kind met een verstandelijke handicap
goed te kunnen opvangen op school. Hiertoe werd allereerst een vragenlijst
ingevuld door 33 ervaringsdeskundigen (waaronder ouders, leerkrachten en
ambulant begeleiders vanuit het speciale onderwijs). Uit het
vragenlijstonderzoek komen de volgende succesfactoren voor integratie naar
voren: het kind met een verstandelijke handicap gaat met plezier naar school;
de leerkracht ziet het zitten en is in staat adaptief onderwijs te geven; en de
schoolleiding staat er achter. Vervolgens werden gesprekken gevoerd met
ouders en leerkrachten van negen kinderen met een verstandelijke handicap die
met succes deelnemen aan het reguliere basisonderwijs (de successen), en elf
kinderen die inmiddels naar een ZML‑school
verwezen zijn, of dat binnenkort worden (de grensgevallen). Uit de gesprekken
wordt duidelijk dat er in de praktijk nog meer speelt.
Als een
kind erg druk is, niet of nauwelijks zelfstandig kan werken, moeilijk
communiceert, of nog niet zindelijk is, is de kans groot dat het verwezen wordt
naar een ZML ‑school. Veel
leerkrachten geven te kennen dat ze de extra aandacht niet op kunnen brengen.
Ze hebben een kleuterklas met meer dan 30 kleuters, of een klas met nog zes
zorgleerlingen die volgens het Weer Samen Naar School beleid ook opgevangen
moeten worden op de gewone basisschool. Het is dan moeilijk om het kind met een
verstandelijke handicap de aandacht te geven die het vraagt. Een tweede aspect
is de leerbaarheid. ook bij kinderen met een
verstandelijke handicap zijn er verschillen in intelligentie; het ene kind pikt
de dingen sneller op dan het andere. Als leerkrachten van mening zijn dat het
leren heel moeizaam gaat, is dat vaak een reden om het kind naar het speciale
onderwijs te verwijzen. Een belangrijke voorwaarde is verder dat de leerkracht
kan accepteren dat het kind op een lager niveau werkt dan de andere kinderen in
de klas. De leerkracht moet er vrede mee hebben dat een kind in de kleuterklas
erbij zit zonder met de andere kinderen te spelen, of dat een kind in groep
zeven sommen van 1 tot 20 zit te maken. Als de leerkracht daar niet mee kan
leven, betekent dat vaak het einde van het reguliere onderwijs voor het kind.
Overige
voorwaarden Natuurlijk zijn er nog andere voorwaarden. Een goede en open
communicatie met de ouders is belangrijk. In de gesprekken bleek dat het vaak
mis gaat als ouders zich te eisend opstellen en ervan uitgaan dat hun kind tot
en met groep acht kan blijven. Veel scholen durven zich daar niet op vast te
leggen. ook een goede begeleiding door een ambulant
begeleider (AB) van een speciale school is belangrijk. Deze observeert het kind
(meestal iedere zes weken), stelt in overleg met de leerkracht een
handelingsplan op, draagt alternatieve leermethodes aan, en bemoedigt de
leerkracht. En tenslotte zijn er praktische voorwaarden.
Een kind met een verstandelijke handicap moet individuele begeleiding krijgen,
en aangepaste speel of leermaterialen. Aan deze overige voorwaarden wordt
meestal wel voldaan. De meeste ouders zijn realistisch, en het Ministerie van
OC&W stelt extra formatie en middelen beschikbaar voor ambulante
begeleiding, individuele begeleiding en aangepaste materialen.
Wat is mogelijk
en wat is wenselijk? Met het in kaart brengen van de voorwaarden is duidelijk wat
er moet gebeuren om de opvang van kinderen met een verstandelijke handicap in
het reguliere onderwijs te verbeteren. Klassenverkleining en extra klassenassistentie
zorgen dat meer aandacht beschikbaar komt. Met alternatieve leermethodes,
bekend bij de AB's, kan de leerbaarheid bevorderd
worden. En leerkrachten kunnen leren om te leven met het lagere niveau dat een
leerling met een verstandelijke handicap bereikt. Nu kan men zich natuurlijk de
vraag stellen of kinderen met een verstandelijke handicap niet beter af zijn op
een ZMLschool. Hierover zijn de meningen verdeeld. De directeur van een ZML‑school
in Zutphen stelt dat het reguliere onderwijs veel te
eenzijdig gericht is op cognitieve ontwikkeling. De zelfredzaamheid, de sociaal‑emotionele
en de creatieve ontwikkeling schieten erbij in. Op een ZML‑school wordt
daar veel meer aandacht aan besteed, zegt hij. Bovendien doet het imitatiegedrag
dat in het reguliere onderwijs bevorderd wordt geen recht aan de eigen
identiteit van het kind, willen mensen van nature in een groep zitten waar ze
in mee kunnen, en heeft het reguliere basisonderwijs in elk geval op dit moment
onvoldoende faciliteiten om het kind de aandacht te geven die het nodig heeft.
Naar zijn mening is een kind met een verstandelijke handicap dus altijd beter
af in het speciale onderwijs. Anderen stellen dat kinderen met een
verstandelijke handicap op een gewone school meer gestimuleerd worden. Daar
komt nog bij dat de problematiek op het ZML steeds zwaarder wordt. Dit komt aan
de ene kant omdat er vanuit de kinderdagverblijven steeds meer kinderen met
zwaardere verstandelijke handicaps naar het ZML doorgestuurd worden ‑
ieder kind heeft immers recht op onderwijs ‑ en anderzijds omdat de
'betere' kinderen met een verstandelijke handicap vaker naar het reguliere
onderwijs gaan. Een ambulant begeleidster die werkt
vanuit een ZML‑school in een grote stad bevestigt dit. Ze merkt op dat
"samenhangend met deze complexer wordende problematiek, de kinderen op ZML‑scholen
steeds vaker ernstige gedragsproblemen en sociaal‑emotionele problemen
hebben. Door al die problemen is het soms moeilijk om nog aan iets van
onderwijs toe te komen. Lezen staat dan wel op het
rooster, maar de leerkracht is zozeer bezig met gedragsregulatie, dat hij/zij
aan de les niet toekomt". In verband hiermee adviseert zij ouders vaak hun
kind zo lang mogelijk in het reguliere onderwijs te laten, omdat zij daar meer
positief voorbeeldgedrag kunnen ervaren. Het is niet gemakkelijk om de vraag te
beantwoorden naar de wenselijkheid van regulier onderwijs voor alle kinderen
met een verstandelijke handicap. In feite zal voor elk kind individueel
afgewogen moeten worden wat het beste is. Argumenten zoals dat het reguliere
onderwijs de kinderen te weinig aandacht geeft, of dat de problematiek op de
ZMLscholen steeds zwaarder wordt, horen daarbij geen rol te spelen. De overheid
moet zorgen voor voldoende faciliteiten ten behoeve van kinderen met een
verstandelijke handicap, zowel in het reguliere als in het speciale onderwijs.
Nanda Poulisse: Van
haar hand is de volgende publicatie verschenen. 'Een wankel evenwicht. De
integratie van kinderen met een verstandelijke handicap in het reguliere
basisonderwijs' Uitgave: ITS, Nijmegen, 2002. De
publicatie is te bestellen bij het ITS, telefoon:
(024) 36 53500 of via http://www.its.kun.nl
